

De mens is voor mij een onuitputtelijke bron van inspiratie. De complexe relatie tussen identiteit en samenleving intrigeert mij en zet mij aan tot het onderzoeken van mijn eigen identiteit in relatie tot die van anderen.
Mijn nieuwsgierigheid opent de deur naar nieuwe perspectieven en stimuleert mij om bestaande normen en stereotypes te bevragen. Het laat mij de schoonheid zien in diversiteit en in de unieke verhalen die ieder van ons met zich meebrengt. In mijn werk probeer ik deze kracht van verwondering vast te leggen, om anderen aan te moedigen om hetzelfde te doen.
Door het delen van deze ervaringen hoop ik een ruimte te creëren waarin mensen zich empowered voelen, niet alleen binnen de kunstwereld, maar in alle facetten van het leven.
Van knutselhok tot kunstkalender: mijn culturele opvoeding
Mijn culturele opvoeding vond niet plaats in musea of concertzalen, maar in de werk- en naaikamers van mijn ouders. Terwijl andere kinderen misschien met hun ouders naar het Rijksmuseum gingen, zat ik met lijm aan mijn vingers in het “werkhok” van mijn vader, waar ik leerde hoe je van schroeven, hout en een flinke dosis verbeelding iets nieuws kon maken. Het “naaihok” van mijn moeder was een tweede schatkamer: stapels stof, spoeltjes garen en patronen waar ik me doorheen rommelde, op zoek naar iets waarmee ik kon creëren.
Mijn eerste schilderlessen kreeg ik niet op een academie, maar door stiekem mee te kijken naar de Teleac-cursus “Schilderen voor beginners”, die mijn moeder volgde. Terwijl zij zich aan de opdrachten waagde, probeerde ik ongemerkt haar tips en technieken te pikken. Mijn jaarlijkse moment van artistieke expressie vond plaats tijdens het optreden van het jeugdkoor en een toneelvoorstelling over Bassie en Adriaan—een cultureel hoogtepunt in een verder musealoos bestaan.
Musea waren er niet bij. Op een enkele uitzondering na: een bezoek aan Slot Loevestein, waarschijnlijk meer om de stoere verhalen dan om de kunst. Maar wat wél elk jaar terugkeerde, was de Philips kunstkalender die mijn vader van zijn werk meebracht. Die kalender was mijn Louvre. Ik scheurde er de Van Goghs uit en probeerde ze na te schilderen—een vroege poging tot meestervervalsing, zonder enig idee van hun werkelijke waarde.
Die losse, speelse benadering van kunst en creativiteit heeft me gevormd. Het leerde me dat kunst niet iets is dat je alleen in een museum ziet, maar iets dat je maakt, voelt en leeft—met je handen in de lijm, je ogen op een kunstkalender en je verbeelding in een werkhok.